Fietsvakantie 2 : Zwitserland

Na de fietsvakantie in de Franse Alpen van begin juli, waarover in het vorige clubblad al het één en ander geschreven stond, ben ik in augustus nog een keer op fietsvakanrtie geweest. Deze keer betrof het een georganiseerde groepsreis door Zuid-Oost Zwitserland en af en toe een stukje Noord-Italie.

Het vertrek stond gepland op woensdag 4 augustus en natuurlijk was het weer afwachten wat voor deelnemers er allemaal mee zouden gaan. Eén kende ik er in ieder geval, want dat was m地 kameraad Bert, die ik nog kende van de fietsvakanties van 1997 (Franse Pyreneeen) en 1998 (Franse Alpen). De groep was niet echt groot, want in totaal waren er slechts elf fietsers en twee begeleiders.

Na de busreis arriveerden we 痴 morgens vroeg in Chur, vanwaar de volgende dag de eerste etappe zou starten. Zoals gebruikelijk konden we deze dag voor onszelf invullen. Bert en ik zetten eerst op ons gemak onze tent op. Hierna aten we wat en besloten toch alvast nog maar een stukje te gaan fietsen. Vanaf de camping lag er namelijk een mooi ritje richting het toeristische bergdorp Arosa. In totaal bracht deze etappe bijna 60 kilometer op de teller en ondanks m地 vele trainingskilometers om en nabij de Alpe d辿uez viel dit ritje me toch bijzonder zwaar. Ik begon nog voortvarend en dacht dat ik de hele wereld aankon. Op een groot verzet (39/17) peerde ik Bert er al heel snel af, maar halverwege de klim toen het iets minder steil werd begon het licht al langzaam te doven. Bert kwam weer terug in mijn wiel en in de laatste steile kilometers moest ik hem zelfs laten gaan en kwam ik meer dood dan levend boven. De afdaling die hierna volgde was natuurlijk wel weer heel erg lekker.

De eerste officiele etappe voerde van Chur naar Disentis en bracht ons nog geen echte cols, maar wel heel wat korte, venijnige klimmetjes, waar we ons op stuk konden bijten. We begonnen met z地 allen, dus al snel zou duidelijk worden wat voor vlees we in de kuip hadden en wat het algemene niveau van de groep was. Wat Bert en ik al hoopten, kwam ook uit, want wij bleken inderdaad de besten van het gezelschap te zijn. Alleen Rik bleek van ons niveau en samen met hem fietsten wij het overgrote deel van deze eerste etappe. Het ging met mij al stukken beter dan een dag eerder, dus ik leek al aardig te acclimatiseren.

De dag hierna kwamen de eerste kuitenbrekers, namelijk de Oberalppass (20,4 km klimmen met 4,4% gem stijging), de Furkapass (12,3 km klimmen met 7,3% gem stijging) en de Grimselpass (7,2 km klimmen met 7,8% gem stijging). De finishplaats deze dag heette Reckingen. Deze dag was het vanuit het vertrek gelijk klimmen en knallen geblazen, omdat Rik iedereen los probeerde te rijden. Bert en ik waren de enigen, die nog konden volgen, maar halverwege de klim werd het mij toch iets te gek, want ik was niet van plan om mezelf al helemaal op te blazen, omdat er nog twee zware beklimmingen zouden volgen. Rik en Bert gingen dus samen door en een paar kilometer verder moest Rik zijn inspanningen bekopen en kon hij het wiel van Bert niet meer houden. Op dat moment had ik allang een lekker ritme gezocht en gevonden en met de 39/23 een juiste versnelling gestoken. Ik kwam dus als derde boven en bovenop namen wij veel tijd voor foto痴, waardoor Bert en ik uiteindelijk toch als laatsten gingen afdalen en daardoor ook als laatsten aan de tweede klim, de Furka, begonnen. Op zich wel prettig, omdat wij zodoende één voor één wat eenheden gingen opslokken. Zo pakten we al heel snel Ton, Marcel en Margriet. Naarmate deze klim vorderde ging het bij mij steeds lekkerder lopen en halverwege begon ik de duimschroeven wat aan te draaien, met als gevolg dat Bert moest passen. Daardoor haalde ik ook nog Rene, Peter en Johan in en waren het uiteindelijk alleen Tom, Ron en Rik, die buiten bereik bleven. Het klimmen liep weer als vanouds, dus de laatste beproeving, de Grimsel, zou ook nog wel lukken. Dit viel dus toch even vies tegen, want in de eerste twee kilometer liep het voor geen meter. Ik moest Bert gelijk al laten gaan, maar op zeker moment had ik op de 39/23 weer het ideale ritme gevonden en achterhaalde ik Bert al snel en ging ik erop en erover, omdat Bert inmiddels echt z地 reserves aan het aanspreken was. Aan het eind van deze dag had ik een voldaan gevoel over de conditie en de kracht in de benen, maar toch ook een kleine tegenslag, omdat ik een behoorlijke kou op de borst had opgelopen.

Deze kou was dan ook de reden, dat ik de volgende dag, toen er officieel een rustdag gepland was, deze rustdag ook daadwerkelijk benutte. Met toch wel pijn in m地 hart moest ik daardoor zien, dat Rik en Bert gingen fietsen naar de Simplonpass en ik dus op de camping achterbleef, maar ja, de reis was natuurlijk nog lang en uiteraard ging de gezondheid voor.

Hierna volgde op papier de koninginnerit, want met ruim 100 kilometer voor de kiezen en beklimmingen van de Nufenenpass (14,3 km, gem 7,9%), de Gotthardpass (over kasseien 12,7 km, gem 7,3%) en de Oberalppass (10,6 km, gem 5,7%) stond ons heel wat te wachten. Bovendien was het zwaar bewolkt en begon het nog voor we aan de Nufenen begonnen al te regenen. De Nufenenpass is met 2478 meter hoogte de hoogste van Zwitserland, dus door het slechte weer was het boven uiteraard ijzig koud. En als het koud en nat is, ben ik nooit in goede doen. Zo ook vandaag niet, want met pijn en moeite kon ik bij Rik aanklampen tijdens de beklimming van de Nufenen. Bovendien wachtte Rik nog diverse keren op mij, omdat hij ook niet alleen verder wilde. Bert waren we inmiddels allang kwijt, want die was echt de man met de hamer tegengekomen en reed vele minuten achter ons. Nog voor we gingen afdalen was het dus al superkoud en de vele kleren die we op de top extra hadden aangetrokken, hielpen in de afdaling ook niet echt. In de afdaling werd het namelijk pas echt noodweer. We reden letterlijk in de wolken en hadden nog geen drie meter zicht. Daarnaast was deze wolk behoorlijk aan het leeglopen, met als gevolg, dat wij tot op het bot toe nat waren en dus echt vernikkelden van de kou. Wat kan een fietsvakantie dus prettig zijn, zou je zo zeggen. Maar goed, het kan niet altijd feest zijn en om het weer wat warmer te krijgen, moest er maar weer wat geklommen worden. De Gotthardpass kwam dan ook als geroepen. Bert besloot de nieuwe asfaltweg te nemen, terwijl Rik en ik toch de uitdaging zochten en uiteindelijk over de monumentale klinkerweg naar boven gingen. Natuurlijk schokte dit hard op de kasseien. Deze kasseien waren door de hevige regenval zeer nat, waardoor het risico op een wegslippende achterband zeer groot was. Het ergst zou dit natuurlijk zijn, als je uit het zadel zou gaan klimmen en op de pedalen ging staan. Gemiddeld sta ik zo地 90% van een klim op de pedalen, dus nu had ik een probleem. Zitten ging niet lekker, dus er moest wel gestaan worden. Enkele keren slipte m地 achterband inderdaad weg, maar toen ik vervolgens naar een grotere versnelling schakelde (39/19 en 39/21) ging het tempo omhoog en werd het slippen minder. Door deze tempoversnelling kon ik Rik, die mij in het begin van de klim gelost had, bijna nog inhalen. Bovenop de Gotthard werd weer eens duidelijk hoe onberekenbaar de weersomstandigheden in de bergen kunnen zijn, want waar wij in de regen geklommen hadden, daar was het aan de andere kant van de berg één en al zonneschijn. Er kon dus hard gedaald worden en dat moest ook wel, omdat de afdaling van de Gotthard een heuse autoweg was. Lange rechte stukken met een goed overzicht. Ik ging er dus voor om m地 maximumsnelheid van 83 km/uur, die ik ooit bereikt had, te verbeteren. Met m地 neus op m地 stuur en m地 zitvlak achter m地 zadel probeerde ik mezelf zo gestroomlijnd mogelijk te maken. Aan een lekke band moest je op dit moment maar niet denken, want dan zou er waarschijnlijk geen raad voor zijn geweest. De snelheid werd hoger en hoger en het record werd inderdaad verbroken en gesteld op 88 km/uur. Echt het idee dat je op een fiets zit heb je bij zulke snelheden toch niet meer, want het is net of je vliegt en echt controle over je fiets is er totaal niet meer bij. Als toetje van de dag volgde nog de beklimming van de Oberalppass. Rik, Ron en Tom begonnen ca. 3 minuten eerder dan Bert en ik, maar al snel kregen we ze weer in het vizier. Op dat moment maakten we er onaangekondigd een wedstrijd van. Al snel loste ik Bert en haalde ik Tom in en kwam redelijk dicht tot bij Ron en Rik. Voor Rik was dat het signaal om te gaan versnellen. Ook ik gooide er nog een tandje bovenop en passeerde Ron, maar het gat met Rik bleef zo地 vijftig meter en ik kreeg het maar niet dicht. De laatste kilometer liep slechts een 2 a 3% omhoog, dus er werd geschakeld naar het grote blad (53/17 en zelfs 53/15). Het mocht echter niet meer baten. Rik was 10 seconden eerder boven dan ik en op ruim een minuut kwam Ron als derde, met Bert daar weer een tiental seconden achter. Als afsluiting van deze inspannende dag volgde nog een afdaling van ruim 20 kilometer naar de ons al bekende camping in Disentis.

Hier volgde een hele fijne nacht waarin het zes uur aan een stuk regende en één van onze deelnemers, Marcel, letterlijk z地 tent uitstroomde. Hij sliep de rest van de nacht in het bagagebusje. Tijdens het ontbijt was het even droog, maar nog voor het vertrek was er alweer een wolkbreuk. Vooralsnog vertrokken we dus niet. Ruim een uur hebben we in de kantine van de camping gewacht op mooier weer. Dit wilde echter maar niet komen, met als gevolg, dat we ons één voor één toch maar aan het avontuur gingen wagen. Bert en ik vertrokken natuurlijk weer als laatste en voor mij werd dit echt de zwartste dag van de vakantie. Vanwege de regen was er een moraal van nul komma nul. De regen en de kou sloegen mij ook gelijk in de benen, waardoor al mijn spieren leken te blokkeren. Op de beklimming van de Lukmanierpass (17,9 km, gem 5%) vond dit plaats en meerdere malen heb ik op mezelf moeten inpraten om toch maar te blijven fietsen. Ton, Marcel en Margriet haalde ik nog wel in, maar zelfs dat ging niet van een leien dakje. De hartslag weerspiegelde ook wel de vorm van de dag, omdat ik deze tijdens de klim bijna niet boven de 150 kreeg, terwijl een normale beklimming toch wel waarden van 170 en meer aangeeft. De afdaling was gelukkig weer zonnig, waardoor Bert en ik nog een extra uitstapje zochten. Dit werd Val Malvaglia (12,4 km, gem 6,4%). Hier was het wel weer mijn weertype, namelijk drukkend warm en zeer zonnig. Maar zoals gezegd had ik een zeer zwarte dag, zodat ik zelfs nu de nodige moeite had om Bert, die ook zeer zeker niet zijn beste dag had, te volgen. Het werd een klim waarin we om en om bij elkaar aan het elastiek hingen, maar steeds weer bij elkaar terugkwamen. Drie kilometer onder de top moesten we de beklimming staken, omdat er sprake was van een weginstorting als gevolg van de zware regenval van de voorgaande nacht. Daarom iets eerder alweer gaan dalen dan verwacht, maar er wachtte ons nog een lang vlak stuk door de vallei, alvorens we de camping in Roveredo zouden bereiken. Dit stuk reden we op ons gemak en toch waren we blij, dat we op de camping waren en op ons luchtbedje konden gaan liggen. Een goede nachtrust hadden we zeker nodig en gelukkig kregen we die ook, omdat het in Roveredo een zeer rustige camping was.

De volgende dag stond er op het routeschema slechts één beklimming, namelijk die van de San Bernardinopass. Dit was wel een flinke over 31,3 km en een gem stijging van 5,4%, maar Bert en ik wilden weer iets meer. De keuze was voor ons niet moeilijk, want de startplaats Roveredo lag aan de voet van de Monte Laura/Alpe di Gesero en dat is één van de moeilijkste beklimmingen van Zwisterland, want hij is 16 km lang, met een gem. stijging van 9,5%. Behoorlijk pittig dus en zaak om de krachten goed te verdelen. Het smalle weggetje met weinig auto's deed mij aan de Mortirolo denken. Tijdens de klim puur op hartslag gereden (155-160), ondanks dat de benen meer leken te kunnen. Halverwege de klim raakten we even in paniek, omdat we een onverlichte tunnel van zo地 300 meter in gingen, waarin we echt helemaal niets konden zien en we dus op goed geluk maar doorfietsten. Eenmaal boven gekomen hebben we ongeveer een uur genoten van het prachtige natuurschoon in de vorm van schitterende uitzichten en vele overvliegende vogels. Na de afdaling wachtte ons nog de klim naar de San Bernardino. De aanloop was vals plat en dat nekte Bert en mij al enigszins, waardoor we al niet meer helemaal fit aan de echte klim begonnen. Deze werd gekenmerkt door een aantal steile stukken, met daar tussendoor wat vlak en wat afdalen. Op de steile stukken begon Bert altijd het voortvarendst, maar keer op keer achterhaalde ik hem en stak over hem heen. We waren ook vandaag dus weer met elkaar aan het "elastieken". In het slot van de beklimming gaf Bert de pijp aan Maarten en reed ik in drie kilometer nog bijna drie minuten bij hem weg, omdat ik me op het eind weer beter ging voelen en bij Bert het beste er echt wel weer af was. Voor mij dus superpositief om te ervaren, dat het met de lange adem wel goed zat, omdat ik bijna elke dag aan het eind nog over vele reserves beschikte.

Hierna volgde een rustdag, maar zoals misschien al verwacht gebruikten wij deze niet. Bert en ik wilden toch echt een stuk gaan fietsen. We verkozen wel een klein, rustig ritje. Bijna 60 kilometer en ik zorgde ervoor, dat m地 hartslag onder de 150 bleef. Het traject was van Andeer naar het bergdorp Juf. Tijdens de beklimming bleef het droog, maar je raadt het misschien al. Ook deze dag barstte het in de afdaling weer los en regenden we alsnog drijfnat. Nog even schuilden we in een tunnel, maar toen verkleumden we weer van de kou, zodat we er toch maar voor kozen om zo snel mogelijk bij de warme douche te zijn. Dit moest dan maar gepaard gaan met een nat pak; het was helaas niet anders.

De officiele koninginnerit hadden we dus al gehad, maar de echte topetappes zaten er voor Bert en mij de komende twee dagen pas aan te komen, omdat wij flink van de route wilden gaan afwijken en daardoor op beide dagen de 150 kilometer ruimschoots zouden overtreffen. Op deze dag moesten we de volgende reuzen bedwingen: Splugenpass (ca. 10 km, gem 7%), Menarola (9,5 km, gem 9,5%) en de Malojapass (ca. 40 km, gem 4%). We vertrokken in alle vroegte en door de gure wind was het op de Splugenpass extreem koud. Bert leek hier niet onder gebukt te gaan en klimde lekker. Ik had meer moeite en kon hem dan ook niet volgen. In de afdaling kwam ik langzaam maar zeker weer op temperatuur. De klim naar de Menarola was een smal weggetje, waarvan wij de moeilijkheid vreesden. De temperatuur werd gelukkig weer echt zomers en de moeilijkheidsgraad van deze klim viel gelukkig mee, zodat wij op de top best nog wel krachten over hadden. Deze hadden we ook nog wel nodig, omdat de klim naar de Malojapass wel liefst een veertigtal kilometers bedroeg. Dit was mijn klim dus zeker niet, want hij liep voor het overgrote deel zeer geleidelijk tegen 4 a 5% over een brede autoweg. Dientengevolge heb ik 39 kilometer bij Bert in het wiel gehangen en pas in de laatste kilometer kreeg ik weer wat moed, moraal en nieuwe krachten om de kop over te nemen. Als goedmaker heb ik in de resterende "vlakke" 20 kilometers het kopwerk gedaan. De camping waar we deze dag eindigden lag aan de voet van de Morteratsch-gletscher op 1800 meter boven de zeespiegel. Bij aankomst om 5 uur 痴 middags was het voor het gevoel al koud. 痴 Avonds om 10 uur was het nog maar 0 graden en in de nacht is er zelfs een temperatuur van minus 7 graden Celsius gemeten.

De volgende ochtend wisten Bert en ik van ellende niet waar we blijven moesten, omdat we deze kou toch wel iets te erg vonden. De grootse plannen, die we voor deze dag hadden gemaakt, leken zelfs even in het gedrang te komen. In ieder geval trokken we veel kleren aan en na de eerste klim, de Bernina (7 km, gem 7%), zouden we wel verder zien of we onze snode plannen nog ten uitvoer zouden gaan brengen. Ik reed de Bernina op zich helemaal niet verkeerd en wilde nog wel doorgaan naar de Mortirolo en de Zuid-zijde van de Stelvio. Bert zag het daarentegen niet meer zitten en ik heb aardig wat overredingskracht nodig gehad om hem toch zover te krijgen om mee te gaan. Op naar de Mortirolo (12,4 km, gem 10,5%) dus. Ooit beklom ik deze berg al twee keer en voor mij is het veruit de zwaarste berg, die ik mijn fietsersbestaan heb gereden. De eerste keer moest ik in 12 kilometer klimmen vijf keer met de voeten aan de grond vanwege de steilte. Het jaar daarna opende ik de aanval op een mountainbikeverzet en redde ik het wel zonder afstappen. Ik deed wel ruim anderhalf uur over de 12 kilometer en had daardoor een belachelijke gemiddelde snelheid van 7,9 km/uur. Nu een paar jaar verder was ik voor mijn gevoel toch wel sterker en had ik volgens mij veel meer inhoud. Het bewijs hoopte ik dan ook te kunnen leveren. Ik begon op de 39/23 en kon nog twee tandjes kleiner schakelen. In het begin voelden de benen goed en ik kon mijn versnelling nog behoorlijk rond blijven draaien. Dit lukte echter niet bij Bert en hij schakelde terug, waardoor hij een gat moest laten vallen. Na vier kilometer werd het pas echt steil, met stukken van 24% en ging ik terug naar de 39/26. Nog steeds was ik er niet van overtuigd, dat ik het zonder afstappen zou redden, maar ik had in ieder geval nog de 39/28. Deze bleek ik echter niet nodig te hebben, want natuurlijk kreeg ik het wel zwaarder, maar de noodzaak om terug te schakelen was er niet, omdat ik de snelheid redelijk op peil kon houden, zo net onder de 10 km/uur. De laatste kilometer liep "maar" 8% omhoog en toen wist ik dat ik mijn tijd van 1996 zou gaan verpulveren. Ik klokte nu 1.16.07 uur en bleef Bert meer dan drie minuten voor. Na de afdaling volgde een licht stijgend tussenstuk naar de voet van de Stelvio. Omdat wij een afslagje mistten, reden wij dit traject over een zeer drukke autoweg met vele lange tunnels. Niet echt prettig fietsen en met name Bert had het heel zwaar. Na wat te hebben gegeten aan de voet van de Stelvio waren de rollen echter omgedraaid. Ik kreeg vreselijke pijn in m地 maag en darmen en kon bijna niet meer staand fietsen en heb heel wat moeten bijten, maar ik moest en zou fietsend boven komen. Bert had ook een probleem, namelijk een langzaam leeglopende achterband, dus al met al waren we allebei dik tevreden, toen we om 7 uur 痴 avonds, net voor de avondschemering, de top van de Stelvio hadden bereikt. Het was me dus het dagje wel, want na een deels ongeasfalteerde afdaling arriveerden we, na meer dan tien uur fietsen, om een paar minuten voor acht op de camping en kregen daar luid applaus van onze medereizigers.

De volgende dag was er een rustdag en die werd door ons wel benut. Ten eerste omdat we hem echt nodig hadden na deze twee zware dagen en ten tweede omdat we uitgerust wilden zijn voor de tijdrit, die weer een dag later op het programma stond, namelijk een tijdrit tegen de Noord-zijde van de Stelvio (25,7 kilometer, 1852 meter hoogteverschil en gemiddeld 7,3% stijging).

De omstandigheden voor de tijdrit waren ideaal. De zon scheen lichtjes en de temperatuur lag zo rond de 20 graden en het was windstil. Zoals gehoopt voelden de benen goed uitgerust en in de voorgaande nacht hadden Bert en ik al liggen bedenken, hoe wij het nu moesten gaan aanpakken om Rik er af te rijden en er in ieder geval ervoor te zorgen, dat één van ons de tijdrit zou gaan winnen. We noemden het wel een tijdrit, maar eigenlijk was het een gewone wedstrijdetappe, omdat we wel met z地 allen tegelijk startten. Wij hadden verschillende scenarios bedacht. Bijvoorbeeld, dat één van ons het tempo hoog zou houden en de ander dan in derde wiel zou volgen. Ook hadden we gedacht om om en om te gaan demareren en Rik dan elke keer het gat te laten dichtrijden en een derde optie was om Rik voorop te laten rijden en beiden dan te kunnen profiteren in zijn wiel. Al onze tactieken vielen gelijk in het honderd, omdat één der minderen, Rene, het vuurtje aanwakkerde en demareerde. Rik, Bert, Johan, Edwin, Ron en ik konden nog terugkomen en op het moment dat we weer aansloten was het Rik zelf, die er tussenuit sprong. Ik pakte gelijk zijn wiel en Bert, die vanuit laatste wiel moest komen, reed het gaatje geleidelijk aan dicht. Ook Edwin leek nog mee te kunnen, maar hij blies zichzelf op een vreselijke manier op. De rest was inmiddels gezien. Achter Rik z地 rug bespraken Bert en ik hoe het nu verder moest gaan. We besloten één voor één het tempo steeds hoger op te voeren, omdat we het idee hadden, dat Rik niet super was. Ons vermoeden bleek juist, want op zeker moment zat hij niet meer in ons wiel en reed hij een dertig meter achter ons. Wij hielden het tempo hoog, want Rik wilden we er natuurlijk niet terug bij hebben. Bert was vandaag duidelijk in betere doen, want ik zat al een paar keer moeilijk en na een aantal kilometers moest ik Bert laten gaan. Toen Bert dit constateerde wachtte hij nog één keer, maar ik zei toen tegen hem, dat het ieder voor zich was en als hij inderdaad zo super was, moest hij gewoon gaan voor die eerste plaats met een zo scherp mogelijke tijd. Tussen kilometer 10 en 15 had ik een hele zware periode en was ik allemaal bang, dat Rik weer terug zou komen. Bert zag ik helemaal niet meer en halverwege de klim kreeg ik te horen, dat hij iets meer dan drie minuten voor lag. Iets minder dan 10 kilometer onder de top, kwam het eindpunt in zicht en toen volgden de haarspeldbochten (in totaal 48) elkaar snel op. Haarspeldbochten rijden altijd prettig, want als je deze helemaal aan de buitenkant neemt en dan naar binnenkruist, daal je als het ware iets af, waardoor je meer snelheid ontwikkelt. Hier ging het dus weer beter met mij, ondanks het feit dat het om mij heen steeds donkerder werd en het ook nog ging regenen. Bert zag ik ook weer rijden, maar hij reed nog wel een aardig eind voor. Misschien kan het nog, dacht ik bij mezelf. Ik klokte zelf een verschil van 2.51 minuten en was dus iets teruggekomen. Dat ik mijn snelste tijd ooit gereden (in totaal had ik deze Stelviozijde al meer dan tien keer beklommen en een snelste tijd van 2.05.41 minuten staan), zou gaan verbeteren stond als een paal boven water. Bert was inmiddels boven in 1.43.09 uur en won deze tijdrit. Ik knabbelde in de slotfase nog iets van mijn achterstand af en finishte in 1.45.45 uur als tweede, terwijl Rik in 1.53.38 uur als derde boven kwam op de Stelvio. De snelste tijd, die ooi in de Giro dÍtalia is gereden, staat op naam van Bernard Hinault, met 1 uur 17 minuten. Schaatser Bart Veldkamp bijvoorbeeld reed in een toptrainingsstage deze berg in 1 uur 45 minuten blank. Voor m地 gevoel had ik dus voortreffelijk gepresteerd, want het is natuurlijk helemaal niet verkeerd, om je PR met bijna twintig minuten scherper te stellen.

Na deze tijdrit en de diverse zware etappes was de vakantie eigenlijk voorbij. Er volgden nog twee ritjes. Een hele korte over de Ofenpass en de Ova Spin en een iets langere over de Albulapass en de Lenzerheidepass. Veel bijzonders gebeurde er in deze dagen niet meer, alleen werden we in de laatste dag toch maar weer eens getracteerd op een paar lekkere regenbuien. Ondanks het zwaar tegenvallende weer vond ik het toch een prachtige reis en kijk ik met een goed gevoel terug op alles wat we gefietst hebben. Het meest trots ben ik uiteraard op mijn tijden van de Mortirolo en de Stelvio.

Rolf Pruijsen